Opinie: Wantrouwen is aangeleerd. Vertrouwen ook.

Opiniestuk

Brussel nam afscheid van inspecteur Nordine El Talbi, die tijdens een interventie werd doodgeschoten. Zijn dood raakt velen diep. Tegelijk staat de relatie tussen jongeren en politie onder druk. Dat bleek ook uit de ‘ACAB’-bordjes die sommige jongeren tijdens betogingen droegen.

Een slogan die alle agenten over één kam scheert, is onrechtvaardig. Veel politiemensen zetten zich elke dag in om mensen te beschermen, vaak in moeilijke omstandigheden. En lang niet alle jongeren wijzen de politie af. Toch leeft bij een deel van hen een diep wantrouwen. Die slogan veroordelen is makkelijk. Begrijpen waarom jongeren hem gebruiken is moeilijker, maar broodnodig.

Dat is geen nieuw probleem. Begin 2021 bevroeg de VGC-jeugdraad 1.968 Brusselse jongeren over hun relatie met de politie. Drie op de vier respondenten voelden zich niet veilig bij contact met de politie en bijna de helft associeerde de politie met boosheid. De bevraging was niet representatief voor alle Brusselse jongeren, maar het signaal was moeilijk te negeren: 93% van de deelnemers vond dat de relatie met de politie moest verbeteren.

Opvallend: ook jongeren die nog nooit contact hadden met de politie, gaven vaak angst en boosheid aan. Wantrouwen wordt dus ook doorgegeven, via de verhalen van vrienden, familie en buurtgenoten.

Daarnaast wegen eigen ervaringen zwaar: een identiteitscontrole zonder uitleg, een fouille op straat terwijl vrienden toekijken, het gevoel telkens opnieuw tegengehouden te worden om je uiterlijk of afkomst. Ook het Kinderrechtencommissariaat krijgt zulke signalen, van jongeren zelf en van wie met hen werkt: controles die als vernederend worden ervaren, het gevoel niet ernstig genomen te worden, hardhandig politieoptreden. Onderzoek toont dat de manier waarop mensen behandeld worden, bepalend is voor hun vertrouwen in de politie: of ze uitleg krijgen, respectvol aangesproken worden en gehoord worden.

Ook de jongeren die bij of na een politie-interventie om het leven kwamen, spelen mee. Namen als Adil, Mehdi, Ibrahima en Fabian kennen veel Brusselse jongeren. Elk dossier is anders, maar telkens gaat het om dezelfde vragen: wat is er precies gebeurd, werd er correct opgetreden en wie legt daarover verantwoording af?

Sociale media versterken dat wantrouwen. Een filmpje van een hardhandige interventie bereikt in enkele uren duizenden jongeren, vaak zonder dat duidelijk is wat eraan voorafging. Beelden van jongeren die agenten aanvallen, gaan net zo snel rond. Zo verscherpen beide soorten beelden de tegenstellingen. Dat maakt snelle en eerlijke communicatie na een incident des te belangrijker.

Er zijn stappen gezet de laatste jaren. De wet stelt intussen strengere voorwaarden aan handboeien en naaktfouilles bij minderjarigen, en een recente omzendbrief vraagt de politie expliciet om een minderjarigenreflex bij elke interventie. Een kind is geen kleine volwassene. Die regels moeten op straat merkbaar zijn, en jongeren moeten ergens terechtkunnen als ze vinden dat hun rechten geschonden zijn.

Een groot deel van de jongeren die de voorbije weken op straat kwamen, protesteerden voor hun onderwijs. Ze willen meespreken over beslissingen die hun toekomst bepalen. We mogen hen niet op één hoop gooien met wie betogingen aangrijpt om te vernielen of agenten aan te vallen. Wie geweld pleegt, moet daarvoor verantwoordelijkheid opnemen. Toch moeten we ons ook afvragen waarom sommige jongeren zo weinig perspectief zien dat geweld een uitlaatklep wordt. Straffen alleen lost dat niet op.

Ook de overheid zelf geeft jongeren soms redenen tot wantrouwen. In verschillende steden legden burgemeesters jongeren tijdens oudejaarsnacht preventief huisarrest op. In Anderlecht gold zelfs een avondklok voor jongeren onder zestien jaar in een bepaalde wijk. Geen rechter, maar een burgemeester beslist dan dat jongeren op bepaalde uren niet vrij op straat mogen komen. De Raad van State aanvaardde een individueel huisarrest in een concrete zaak. Maar daarmee zijn niet alle vragen over de legaliteit en proportionaliteit van dergelijke maatregelen beantwoord. Zeker wanneer een hele groep jongeren wordt getroffen, louter op basis van hun leeftijd. Waarom grijpen we bij jongeren zo snel naar preventieve vrijheidsbeperkingen?

Of neem jongeren die na een delict in een gemeenschapsinstelling verblijven. Het jeugddelinquentierecht gaat uit van verantwoordelijkheid en van maatregelen die begrensd zijn in de tijd. Toch blijven heel wat jongeren nadat hun straf is afgelopen opgesloten, omdat er geen plaats is in de jeugdhulp. Als we van jongeren verwachten dat ze zich aan de afspraken houden, moet de overheid dat ook doen.

Kinderrechten betekenen geen straffeloosheid. Ze vragen wel een reactie die rekening houdt met de leeftijd van de jongere en in verhouding staat tot de feiten. Van de politie mogen we verwachten dat ze zorgvuldig omgaat met haar macht, hoe moeilijk de omstandigheden ook zijn. Want ook jongeren hebben de politie nodig: een kind dat thuis geweld meemaakt of een jongere die bedreigd wordt, moet zonder angst bij de politie kunnen aankloppen. Juist de meest kwetsbare kinderen hebben een politie nodig die ze vertrouwen.

Er zijn de voorbije jaren waardevolle initiatieven genomen om de afstand tussen jongeren en politie te verkleinen. Zo brachten organisaties als JES ook in Brussel jongeren, jeugdwerkers en politiemensen met elkaar in gesprek. Maar vertrouwen herstel je niet met tijdelijke projecten alleen. Het vraagt een blijvende inzet, die jongeren ook in hun dagelijkse contacten met de politie moeten kunnen ervaren.  

De politie moet voortdurend opgeleid worden om rekening te houden met de leeftijd en de rechten van jongeren, om te de-escaleren ook en klachten moeten ernstig genomen en onafhankelijk onderzocht worden. Ga met jongeren in gesprek, in hun buurt en op hun school, op gewone dagen en niet pas wanneer het misloopt. En investeer in wie de afstand tussen jongeren en de overheid overbrugt. Jeugdwerkers en straathoekwerkers kennen de jongeren die anderen moeilijk bereiken, en bouwen vaak jarenlang aan vertrouwen. Dat werk mag niet sneuvelen onder besparingen.

Uiteindelijk gaat het ook over de toekomst die we jongeren bieden. Wie weinig kansen krijgt, zich voortdurend gewantrouwd voelt en nergens gehoor vindt, zal zelf moeilijk vertrouwen opbouwen. Daar is meer voor nodig dan politie: goed onderwijs, toegankelijke jeugdhulp, sterk jeugdwerk en letterlijk ruimte en kansen voor jongeren. En een overheid die jongeren ernstig neemt.

We verwachten van jongeren dat ze de politie respecteren, en dat is terecht. Dat respect groeit wanneer jongeren merken dat ook hun rechten gerespecteerd worden en dat de politie er is om hen te beschermen. Wantrouwen is aangeleerd. Maar ook vertrouwen kun je leren.

Caroline Vrijens, Vlaams kinderrechtencommissaris
 

Deze opinie verschenen op Bruzz op 28 oktober 2026.