Opinie: Het recht op onderwijs stopt niet bij definitieve uitsluiting

Opiniestuk

Gedragsproblemen van leerlingen kunnen scholen voor grote uitdagingen stellen, maar jongeren structureel apart zetten met definitieve uitsluitingen lost niets op, schrijft Caroline Vrijens.
De minister van Onderwijs wil ‘draaideurleerlingen’ uit de klas halen en samenbrengen in aparte ‘gedragsscholen’ – een stigmatiserend plan dat haaks staat op inclusief onderwijs. Ook al zijn ze meermaals definitief uitgesloten, het blijft onze plicht om te blijven zoeken naar hoe leerlingen aan boord kunnen blijven.

Het gaat om nogal wat kinderen en jongeren: in 2022-2023 werden 3.771 leerplichtige leerlingen definitief uitgesloten. 185 van hen werden twee of drie keer uitgesloten, en 201 waren het voorgaande schooljaar ook al eens definitief uitgesloten.

En ja, voor scholen is het niet altijd gemakkelijk. Leerkrachten en directies staan vaak onder grote druk en het gedrag van sommige leerlingen kan soms absoluut niet door de beugel. Maar kinderen en jongeren hebben rechten, ook in een tuchtprocedure. En ook na een definitieve uitsluiting stopt hun recht op onderwijs niet.

Brugfiguren

Definitieve uitsluitingen zijn een sterke voorspeller van schoolverlaten zonder diploma. Scholen nemen die maatregel met de beste bedoelingen. Soms is er alleen te weinig oog voor de oorzaken van het moeilijk hanteerbare gedrag, hoewel die toch belangrijk zijn bij het uittekenen van te nemen maatregelen: psychische kwetsbaarheid, een beperking, een moeilijke thuissituatie, armoede, trauma of negatieve beïnvloeding. Daarom is het zo belangrijk om samen met leerling, ouders en welzijnspartners na te gaan wat werkt, wat niet werkt en hoe je je aanpak kunt verfijnen.

We kunnen wel degelijk meer leerlingen aan boord houden dan op het eerste gezicht mogelijk lijkt. Dat leren we uit onderzoek en uit onze gesprekken met leerkrachten, directies, CLB-medewerkers, jongeren, ouders en welzijnswerkers. Duidelijke regels en structuur zijn belangrijk. Maar even belangrijk zijn een verbindend schoolklimaat, preventie en samenwerking met ouders en hulpverlening.

Daarom blijf ik oproepen om te investeren in een welzijnsprofessional in elke school, zonder lestaken, dicht bij leerlingen én leerkrachten. Om meer te investeren in brugfiguren die ouders en school, en eventueel ook welzijnsdiensten en hulpverlening met elkaar verbinden. Om meer te investeren in flexibele trajecten zoals Naft, zorgboerderijen en lokale projecten die helpen om de band met de school te behouden.

Een time-in

Er zijn genoeg voorbeelden van herstel of van hernieuwde verbindingen tussen school en leerling. Zo zijn in Antwerpen jongerencoaches van het CAW actief in scholen, waar ze jongeren begeleiden met risico op uitval. Ze luisteren, moedigen aan, en schakelen hulpverlening in als dat nodig is.
Scholen die kiezen voor een time-in, waarbij de leerling niet wordt weggestuurd na moeilijk gedrag, tonen dat je tegelijk kunt werken aan gedrag, sociale relaties, emotionele vaardigheden én leerprestaties. Ze bewijzen dat een herstelgerichte aanpak werkt en duurzame resultaten oplevert.

Scholen willen leerlingen meestal niet loslaten. Ze hebben vooral meer steun nodig om hun leerlingen aan boord te houden, want met sancties en afzondering alleen komen we er niet. De band tussen jongeren met gedragsproblemen en de school is vaak al broos. Die verder doorknippen, vergroot het risico op uitval en maatschappelijke uitsluiting.

Tijdelijk afstand nemen kan soms helend zijn, maar jongeren structureel apart zetten lost niets op. Onderwijs, welzijn en werk structureel nauwer laten samenwerken wel.

Caroline Vrijens, Vlaams kinderrechtencommissaris